The Way of All Flesh
De dood staat centraal op The Way of All Flesh, maar Gojira benadert hem met beweging. Gitaren en drums maken strak verbonden patronen die tegen elkaar in lijken te trekken. Het koudere, scherp omlijnde geluid laat de kleinste ritmische wisseling tellen. Dat geeft een gespannen, opvallend gerichte sfeer.
Oroborus begint met een herhaalde getapte gitaarfiguur die ook in het zware arrangement helder blijft. Het is melodie én ritmisch anker. Joe Duplantier voegt vocale kracht toe zonder als enige uitdrukking te geven. De drums verleggen de accenten onder hem steeds.
Toxic Garbage Island stopt veel variatie in een vrij korte song. De gitaren stoppen en draaien bijzonder precies, maar de fysieke groove blijft. Het milieuonderwerp verbindt persoonlijke sterfelijkheid aan bredere vernietiging. Het muzikale gewicht maakt dat argument direct aanwezig.
A Sight to Behold brengt elektronica en bewerkte zang. Het is vreemd genoeg om verwachtingen te verstoren. Het latere zware deel sluit wel bij de rest aan. The Silver Cord biedt een rustige instrumentale ruimte die de volgende aanval krachtiger maakt.
The Art of Dying is het boeiendste lange stuk. De percussieopening zet een onrustig patroon neer voordat de band het veel zwaarder uitwerkt. Mario Duplantier vormt met zijn spel een sterke draad door de veranderingen. Eenvoudige gitaarbeweging kan hier een ingewikkelde emotionele ontwikkeling dragen.
Niet alle herhaling werkt zo goed. Adoration for None houdt de laatste figuur langer vast dan voor extra spanning nodig is. De stilte bij het afsluitende titelnummer onderbreekt de vaart. Vacuity is zuiniger en maakt met een afgemeten groove een bijzonder helder punt. De plaat overtuigt vooral wanneer de vormelijke precisie die emotionele helderheid dient. Sterfelijkheid wordt direct voelbaar zonder alle songs tot één stemming terug te brengen.
