Morbid Stuff
“Scorpion Hill” geeft Morbid Stuff zijn sterkste argument. De song volgt een leven dat na baanverlies uit elkaar valt. Een bijna gemoedelijk begin wordt veel dringender. PUP laat de muziek met het verhaal veranderen. De omslagen voelen nodig. Het uiteindelijke gewicht komt doordat je de hoofdpersoon steeds minder mogelijkheden hebt zien houden.
Elders komt de band sneller ter zake. “Kids” verbindt een grote melodie aan het gevoel dat de wereld rond de relatie niet te vertrouwen is. “Free At Last” maakt zelfhaat tot een groepskreet, met genoeg ritmische energie om geen privégeklaag te worden. Stefan Babcock blijft schurend aanwezig. De andere stemmen maken zijn ergste gedachten wel vatbaar voor tegenspraak.
Onder dat volume mis je makkelijk instrumentale details. Gitaarfiguren slaan onverwacht af. De drums breken een frase af net wanneer er een regelmatig patroon lijkt te ontstaan. Dat geeft nuttige nervositeit. De songs zijn aanstekelijk zonder volledig comfortabel te worden. Dat past bij teksten die steeds redenen voor onrust vinden.
“Full Blown Meltdown” duwt de aanpak naar een zwaardere confrontatie. Dikke bas en krachtig slot zijn grappig in hun overdaad. Melodisch bevredigt het minder dan de sterkste punksongs. “Closure” heeft mooie gitaardetails maar een minder beslissende melodie. “Bare Hands” vindt moeilijk een eigen emotionele hoek. De hoogtepunten zijn duidelijker dan de algemene consistentie.
Toch maken de beste songs ongelukkig zijn niet tot bewijs van superioriteit. Ze kunnen tegelijk lelijk, kwetsbaar en belachelijk zijn. Dat zelfbewustzijn geeft de woede een nuttige bestemming. Morbid Stuff is bijzonder goed wanneer een sterk verhaal of scherpe muzikale wending door het lawaai breekt. “Scorpion Hill” doet beide en geeft de hele plaat een emotioneel middelpunt om naar terug te keren.
