I Feel the Everblack Festering Within Me
Lorna Shore kiest nadrukkelijk voor overdaad op I Feel the Everblack Festering Within Me. De titel is lang, de nummers zijn groot en Will Ramos produceert geluiden waar je bijna een vergunning voor zou aanvragen. De belangrijke vraag is wat de band met al die kracht doet.
Prison of Flesh geeft het begin een persoonlijk gewicht. Dementie en angst krijgen een plek binnen een enorm arrangement van riffs, orkestrale klanken en harde zang. Het spel is extreem, maar de intensiteit heeft een duidelijke emotionele reden. Daardoor voelt het nummer inhoudelijk sterker dan alleen een demonstratie van techniek.
Oblivion houdt de vaart erin en wisselt gejaagde delen af met opener, melancholische passages. Het contrast werkt doordat beide kanten genoeg ruimte krijgen om aan te komen. Adam De Micco geeft de muziek met zijn gitaar een melodieuze vorm, ook wanneer drums en zang op hun agressiefst zijn.
In Darkness legt meer nadruk op groove. War Machine gaat verder in die richting. Ze brengen nuttige afwisseling naast de snellere aanvallen. Er gebeurt nog steeds veel, maar de riffs geven onder alle orkestratie iets stevigs om te volgen.
Lionheart behoort tot de duidelijkste melodieuze uitspraken. Het heeft een vastberaden gevoel en gitaarpartijen die bij het grootse arrangement passen. Death Can Take Me zoekt juist een veel donkerder sfeer op. Het emotionele bereik is groter dan het enorme geluid aanvankelijk doet vermoeden.
Het risico is dat ieder groot moment met het volgende moet concurreren. Een paar breakdowns voelen voorspelbaar. Ook Glenwood vindt niet altijd genoeg tegenwicht voor al zijn dramatische gewicht. Lorna Shore grijpt sterker aan wanneer het contrast binnen een nummer net zo krachtig is als de klank zelf.
Forevermore geeft het slot een gevoel van aanvaarding, belangrijk na zoveel strijd. Deze muziek vraagt veel, maar de omvang heeft een doel. De beste nummers laten emotie en technische vaardigheid even belangrijk voelen.
