No. 4

No. 4

Down laat weinig twijfel over de bedoelingen op No. 4. Stone Temple Pilots zet een dikke gitaar en een bot ritme neer. Scott Weiland lijkt beide recht tegemoet te willen. Toch overtuigt de plaat vaak meer zodra ze ophoudt haar eigen zwaarte te benadrukken.

Down en Heaven & Hot Rods openen doeltreffend. Dean DeLeo weet hoe een riff een refrein draagt en de band speelt compact en krachtig. No Way Out doet later iets vergelijkbaars. Het zijn fijne hardrocksongs, al ligt de impact meer in de aanval dan in een ongewoon idee.

Pruno laat zien hoe een kleine verandering helpt. De ruimte rond de coupletten geeft de zware delen vorm en het arrangement diepte. Church on Tuesday kiest duidelijker voor pop. De melodie heeft geen agressief oppervlak nodig om over te komen. Daardoor klinkt de opening niet als vast beleid, maar als één van de mogelijkheden.

Sour Girl is de sleutel. Lichte beweging en een onrustige zanglijn passen natuurlijk samen. Robert DeLeo vormt de melodie met zijn bas. Weilands terughoudendheid raakt meer dan een grote zangprestatie had gedaan. Glide krijgt op een andere manier vaart: het arrangement wordt breder en dromeriger zonder de directheid te verlaten.

Sommige harde tracks zijn minder eigen. Sex & Violence en MC5 houden energie vast, maar bieden minder details om naar terug te keren dan de beste popsongs. Juist wanneer melodie de leiding krijgt, klinkt de plaat het persoonlijkst.

Atlanta benut dat aan het einde. Het lage tempo en de theatrale zang mogen groeien en geven No. 4 een ruimer slot. De band verbindt kracht opnieuw aan zijn talent voor melodie. De balans is niet volmaakt, maar op dit degelijke en soms uitstekende album zijn de hoogtepunten te sterk om te negeren.