Skeletá
Ghost kleedt zich nog steeds als de gevaarlijkste band op het feest en schrijft refreinen die je buren kunnen meezingen. Skeletá trekt die combinatie verder door. Tobias Forge geeft de nummers onder de kostuums en religieuze beelden een persoonlijker onderwerp.
Peacefield maakt de schaal meteen duidelijk. Het heeft de vorm van een groots jaren-tachtig-rocknummer, met een refrein dat voor een zaal vol stemmen lijkt gemaakt. Lachryma volgt met een zwaardere riff en een sterke melodieuze wending. De gitaar geeft scherpte, terwijl de zang het direct toegankelijk houdt.
Ook Satanized is een effectieve single. Door het shuffleritme en het refrein blijft het gemakkelijk hangen. De donkere beelden passen goed binnen wat in de kern heel toegankelijke rockmuziek is. Ghost heeft altijd begrepen dat een sinister onderwerp en een goede melodie uitstekend samengaan.
De Profundis Borealis hoort bij de sterkste tracks. De pianoopening geeft de gitaren een vertrekpunt. Het galopperende ritme voegt energie toe zonder van het nummer een pure metaloefening te maken. Het arrangement is zelfverzekerd genoeg om de grote gebaren te verdienen.
Het album overtuigt minder wanneer het te sterk op bekende hardrockgrepen leunt. Missilia Amori heeft veel bravoure, maar de voor de hand liggende aanpak mist de emotionele aantrekkingskracht van het sterkere werk. Ook sommige trage nummers hebben tijd nodig om hun karakter te laten zien.
Laat op de plaat brengt Umbra een andere groove. Excelsis geeft het einde een zachtere, bedachtzamere stemming. Dat past bij een album over innerlijke onrust en sterfelijkheid, ook al zit er minder van de scherpe humor in die eerder werk zo herkenbaar maakte.
Skeletá is gemakkelijk te waarderen. De beste songs hebben meer gevoel dan het spektakel doet vermoeden. Wie Ghost terug wil naar het allereerste geluid, zal hier niet tevreden mee zijn. Voor luisteraars die Forge graag volgen naar grote, melodieuze rock zitten er sterke nummers achter het masker.
