Down on the Upside

Down on the Upside

Mandolines lijken geen logische manier om Soundgarden agressiever te maken. Ty Cobb lukt het toch. Een heldere akoestische klank wordt het begin van een woedende stormloop. Down on the Upside maakt veel keuzes die pas logisch worden zodra de band speelt.

De plaat uit 1996 is losser dan Superunknown. Minder klinkt achter glas gezet. Pretty Noose past daarbij met een kronkelende gitaar die aan de zang trekt. Rhinosaur is directer en gespierder, maar ritmische alertheid voorkomt dat de band alleen op een riff leunt.

Rustige songs zijn cruciaal. Zero Chance geeft Chris Cornell een melodie die verdriet zonder groot gebaar draagt. Burden in My Hand zet akoestiek onder grote zang en klinkt vreemd open voor problematische inhoud. Het contrast hoort bij het schrijven, niet alleen bij toegankelijkere singles.

Blow Up the Outside World verdient de zacht-hardbeweging doordat het refrein opgebouwde druk loslaat. Elders zijn routes vreemder. Never the Machine Forever valt harder aan. Applebite laat de stem deel van een wazige sfeer worden. Er is geen vast recept.

Zestien songs laten focus soms dwalen. Korte, ruwe nummers onderscheiden zich niet allemaal. Trage passages vragen aandacht voor hun detail. Als afwisselende verzameling overtuigt het meer dan als perfect gevormde volgorde.

Boot Camp sluit effectief af zonder de verwachte triomf van een lange rockplaat. De onrustige stemming verbindt de eerdere breedte. Down on the Upside heeft sterke losse songs. Dieper trekt de vrijheid aan waarmee Soundgarden tussen kracht, melodie en twijfel beweegt.