Make Some Noise

Make Some Noise

Make Some Noise is het plezierigst wanneer The Dead Daisies de songs niets groters laten vertegenwoordigen dan een goede hardrockuitvoering. John Corabi heeft een ruwe, vaardige stem. De ritmesectie beweegt stevig en Doug Aldrichs gitaar geeft de riffs karakter. De muzikale taal is vertrouwd. De vraag is hoe vaak de band die vertrouwdheid levend kan laten voelen.

“Long Way to Go” opent sterk, met gitaren en stem die dezelfde richting kiezen. De directe, rollende vaart past bij de band. “We All Fall Down” verandert het gevoel met een diepere bas en vastere groove. “Song and a Prayer” biedt een van de helderste melodische uitspraken. Het refrein werkt doordat het arrangement de omlijning goed hoorbaar houdt. Ervaren muzikanten maken hier verstandige keuzes rond een song.

“Mainline” begint bijzonder krachtig, maar de latere delen ontwikkelen de belofte van de riff minder. Die beperking komt vaker terug. Het titelnummer is gemaakt om samen te scanderen. De verwachte ontlading komt, zonder veel eigen details. “Fortunate Son” en “Join Together” worden zelfverzekerd gecoverd. Tegelijk klinken de composities van die originelen in vergelijking scherper afgebakend. De liefde voor het materiaal is duidelijk. Een eigen herinterpretatie hoor je minder.

Er blijft genoeg instrumentaal plezier om het album gaande te houden, vooral in de uitwisselingen tussen Corabi's rasp en de gitaren. Wat ontbreekt, is een constanter gevoel dat een bepaalde song alleen van deze band kan zijn. De muzikanten maken bijna op verzoek impact, maar dat is niet altijd hetzelfde als een memorabele wending. Make Some Noise werkt goed als een directe dosis klassieke hardrock. Vooral “Song and a Prayer” toont hoeveel beter die aanpak wordt wanneer het refrein een even stevige identiteit heeft als het spel.