Pretty Hate Machine
De boosheid op Pretty Hate Machine is makkelijk te herkennen, maar de muziek eromheen is verrassend toegankelijk. Trent Reznor bouwt het debuut van Nine Inch Nails voor een groot deel met synthesizers en drummachines. De gitaren geven het geluid scherpe randen, terwijl de nummers gewoon duidelijke coupletten en refreinen hebben. Het resultaat is industriële muziek waarin een sterke popmelodie altijd dichtbij blijft.
Head Like A Hole maakt die combinatie meteen duidelijk. Het refrein heeft weinig tijd nodig om zich vast te zetten, ook al klinkt de uitvoering onvriendelijk. Terrible Lie werkt met een vergelijkbare spanning tussen een aantrekkelijke melodie en een stem die steeds verder onder druk lijkt te komen. Reznor hoeft zijn songs niet ingewikkeld te maken om ze een eigen karakter te geven.
Sanctified haalt veel uit zijn baslijn en laat horen hoeveel ritmische ruimte er in deze plaat zit. Sin houdt de elektronische beweging vast zonder voortdurend de zwaarste middelen in te zetten. De andere kant van het album verschijnt in Something I Can Never Have. Piano en zang krijgen daar meer ruimte, en de frustratie verandert in een stiller soort verdriet. Het is een belangrijk rustpunt binnen een plaat die veel gevoelens heel nadrukkelijk naar buiten brengt.
Niet ieder nummer houdt die spanning even goed vast. Vooral later op het album krijgen sommige ideeën minder richting, en de klanken verraden duidelijk uit welk tijdperk de plaat komt. Ook de teksten kunnen erg jong en ongefilterd overkomen. Dat maakt de emotie herkenbaar, maar af en toe ook wat zwaar aangezet.
De beste momenten wegen ruimschoots tegen die beperkingen op. Pretty Hate Machine laat horen hoe goed Reznor aanstekelijke nummers kan schrijven zonder de vervreemding uit zijn geluid te halen. Juist die combinatie van pakkende vormen en onaangename gevoelens maakt dit een sterk, eigenzinnig debuut.
