Pure

Pure

Pure maakt het geluid van Godflesh ruimer zonder de druk weg te nemen. De geprogrammeerde drums hebben meer beweging dan een eenvoudige mars. Daarboven blijven de bas van G. C. Green en de gitaren hard en nadrukkelijk aanwezig. Justin Broadrick wisselt zijn ruwe stem af met zachtere zang. Het verschil brengt gevoel binnen zonder de muziek vriendelijk te maken.

Spite geeft die aanpak meteen een duidelijke vorm. De beat heeft iets dansbaars, terwijl de gitaar kort en scherp blijft steken. Ritme en riff ondersteunen elkaar, maar vallen niet helemaal samen. Juist dat kleine verschil houdt het nummer in beweging.

Mothra heeft een herkenbaardere gitaarriff en een directere groove. Het is relatief toegankelijk, al blijft de klank zwaar genoeg om iedere gedachte aan een gewone rocksong weg te drukken. Godflesh kan een eenvoudig idee lang laten werken door de verhoudingen tussen bas, gitaar en drums zorgvuldig te kiezen.

Op Don't Bring Me Flowers krijgt een andere kant meer ruimte. De gitaarlagen laten schoonheid toe binnen de harde omlijsting. Robert Hampsons bijdrage past goed bij die spanning tussen duidelijke vorm en ongrijpbare klank. De muziek hoeft minder nadrukkelijk aan te vallen om onrustig te blijven.

Pure II voert het geduld verder op de proef. Het lange, donkere slotstuk laat de vertrouwde songvorm grotendeels los. De trage puls en het aanhoudende geluid vragen een andere aandacht dan de directere nummers. Wie vooral nieuwe riffs en snelle ontwikkelingen zoekt, zal die uitgestrektheid mogelijk lastig vinden.

Dat geldt in kleinere mate voor de hele plaat. Herhaling is hier het belangrijkste middel, waardoor Pure tijd nodig heeft om zijn verschillen prijs te geven. Maar de beats, gitaarlagen en kwetsbaardere zang geven het gewicht een eigen karakter. Het album blijft hard, met meer ruimte om ook iets anders dan kracht te laten voelen.