Floating Coffin
Floating Coffin geeft de vreemde wereld van Thee Oh Sees een opvallend stevige basis. De gitaren en drums staan duidelijk in beeld en de songs hebben meer gewicht dan hun speelse zang soms doet vermoeden. John Dwyer houdt zijn onrustige stem, maar melodie en ritme krijgen genoeg ruimte om de muziek te dragen. De helderheid maakt de band eerder krachtiger dan netter.
I Come from the Mountain begint met snelle gitaarbewegingen en een ritmesectie die direct vooruit wil. De zang van Dwyer en de lichtere partijen van Brigid Dawson vullen elkaar goed aan. Het blijft garagepunk met een rafelrand, alleen zijn de verschillende onderdelen gemakkelijk uit elkaar te houden.
Toe Cutter - Thumb Buster gebruikt een zwaarder, waziger gitaargeluid. Kleine surfachtige lijnen bewegen door die klank heen en geven de song iets lichtvoetigs. Dat verschil tussen een dikke riff en een vriendelijke melodie maakt veel van de plaat zo aantrekkelijk. De band hoeft zijn geluid niet ingewikkelder te maken om verschillende stemmingen op te roepen.
Strawberries 1 + 2 zoekt de afwisseling binnen één nummer. De vaart van het begin maakt plaats voor een tragere, meer bluesachtige beweging. Night Crawler remt eveneens af, met een slenterend ritme en zang die in de galm blijft hangen. Die stukken onderbreken de felle songs op een nuttige manier.
Niet iedere melodie blijft meteen hangen. De kracht van Floating Coffin zit soms meer in de uitvoering en de opbouw dan in een refrein dat je direct onthoudt. Toch is het een plaat waar je gemakkelijk naar terugkeert. Minotaur sluit af met een zachtere, bijna ouderwetse popkant en geeft de zware gitaren eindelijk wat rust. Het is een passend einde voor een album dat hard speelt en tegelijk genoeg ruimte voor kleur bewaart.
