Some Strange Country

Some Strange Country

Some Strange Country laat Crooked Still nog zorgvuldiger met zijn snaarinstrumenten omgaan. De cello, banjo, viool en contrabas kunnen als een kleine kamermuziekgroep klinken, maar houden genoeg vaart en souplesse. Aoife O'Donovan zingt daar helder en beheerst bovenuit. De verhalen krijgen ruimte zonder dat de band zijn eigen bijdrage klein maakt.

Sometimes In This Country zet die verhouding goed neer. De stem lijkt licht boven het drukke samenspel te zweven. Dat maakt de muziek toegankelijk, terwijl de onderlinge ritmes meer aandacht blijven vragen. De verschillende partijen vullen elkaar aan en hoeven niet voortdurend dezelfde beweging te volgen.

In The Golden Vanity maken de banjo en cello de vertelling steeds onrustiger. Wanneer het tempo aantrekt, krijgt het verhaal meer spanning. Henry Lee werkt met een veel nuchterder voordracht. Juist doordat O'Donovan de gruwelijke gebeurtenissen niet sterk aanzet, blijven ze overtuigend binnenkomen.

De eigen liedjes passen goed tussen het traditionele materiaal. Half Of What We Know heeft een sombere melodie en voldoende beweging om ook buiten een strikt akoestische omgeving te kunnen werken. In Locust In The Willow verschuift de muziek tussen bluegrassvaart en statiger, gestreken klanken. Dat verschil geeft de arrangementen diepte.

Het gospelnummer Calvary krijgt eveneens een ritmiek die verder gaat dan de gebruikelijke begeleiding. De band behandelt een oud lied als een mogelijkheid om opnieuw iets uit te zoeken. De slotversie van You Got The Silver van de Rolling Stones heeft een aangenaam bluesachtig karakter en een kleine bluegrassbeweging.

Het blijft een verfijnde, grotendeels ingetogen plaat. De kracht komt uit de melodieën, de heldere zang en het nauwkeurige contact tussen de instrumenten. Some Strange Country klinkt daardoor vertrouwd zonder voorspelbaar te worden. Crooked Still maakt oude en nieuwe liedjes zo vanzelfsprekend tot één geheel dat het onderscheid steeds minder belangrijk voelt.