Beat the Devil and Carry a Rail
Beat the Devil and Carry a Rail laat de banjo vooraan staan zonder de andere instrumenten tot begeleiding te beperken. Noam Pikelny speelt precies en heeft veel gevoel voor klank. Hij gebruikt die beheersing voor melodieën die soms vertrouwd aandoen en dan ineens een andere richting kiezen. De muziek houdt haar bluegrassvaart, ook wanneer de opbouw ingewikkelder wordt.
In Jim Thompson's Horse en Boathouse on the Lullwater valt op hoe ontspannen het spel klinkt. De heldere aanslag geeft kleine veranderingen genoeg ruimte. De banjo hoeft niet steeds harder of sneller te worden om de aandacht vast te houden. De melodie blijft het belangrijkste aanknopingspunt.
My Mother Thinks I'm a Lawyer en The Broken Drought laten Pikelny meer met de vorm spelen. De lijnen kunnen terugbuigen en onderweg onverwachte afslagen nemen. Het maakt de nummers beweeglijk zonder het contact met de andere muzikanten te verliezen. In Bear Dog Grit geeft de wisselwerking met Chris Thiles mandoline en Bryan Suttons gitaar extra plezier.
Cluck Old Hen verbindt de traditie aan datzelfde gevoel voor mogelijkheden. Steve Martin speelt mee op banjo en Tim O'Brien op mandoline. De ritmische beweging kan aantrekken en weer terugvallen. Het samenspel geeft een bekend uitgangspunt zo opnieuw karakter.
De zang krijgt een bijzonder mooi moment in Fish and Bird. Aoife O'Donovan benadert het lied van Tom Waits en Kathleen Brennan met een rustige, gevoelige stem. Pikelny's kleine banjoklanken en Stuart Duncans viool houden de weemoed dichtbij. Het is een sterk contrast met de uitbundiger instrumentale stukken.
De plaat kiest overwegend voor subtiele variatie binnen akoestische vormen. Dat maakt haar minder ingrijpend anders dan sommige muziek van Punch Brothers. Maar de heldere melodieën, de warme uitvoering en de inventieve details maken dit een uitstekend album dat meer wil dan alleen technische bewondering oproepen.
